van Till advocaten | Nieuws van Till advocaten Nieuws http://www.vantill.nl/ Thu, 23 May 2013 04:00:20 GMT Nieuws http://www.vantill.nl/blog 120 60 Herhaaldelijk stuiten van de verjaring van een rechtsvordering http://www.vantill.nl/blog/herhaaldelijk-stuiten-van-de-verjaring-een-rechtsvordering <p>De Nederlandse wet kent verschillende verjaringstermijnen. Een verjaringstermijn is een maximumtermijn die geldt voor het instellen van een rechtsvordering. Op grond van artikel 3:308 BW verjaart een vordering tot betaling van renten en huur bijvoorbeeld door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Eenzelfde verjaringstermijn geldt op grond van artikel 3:310 lid 1 BW voor een vordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete.</p><p><!--more--></p><p>&nbsp;</p><p><span style="font-size: 9pt;">Om te voorkomen dat een schuldeiser door het verstrijken van de door de wet gestelde verjaringstermijn zijn vorderingsrecht verliest, biedt de wet de mogelijkheid de verjaring te stuiten. Stuiting van de vordering dient vanzelfsprekend te geschieden vóór het einde van de verjaringstermijn. Zo bepaalt artikel 3:317 lid 1 BW bijvoorbeeld dat de verjaring van een rechtsvordering kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Op de dag volgend op de dag waarop de stuitingshandeling is verricht, begint de verjaringstermijn opnieuw te lopen.</span></p><p>&nbsp;</p> <p>De Nederlandse wet kent geen beperking ten aanzien van het aantal keer dat een verjaring kan worden gestuit: dit betekent dat de verjaring van een vordering – mits keer op keer rechtsgeldig gestuit – oneindig kan worden gestuit.</p><p>&nbsp;</p> <p>In een <a href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BX5038">uitspraak</a> van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton van 16 augustus 2012 heeft een rechter echter bepaald dat het onder omstandigheden in strijd kan zijn met de redelijkheid en billijkheid om de verjaring gedurende een lange periode te stuiten.</p> <p>Deze zaak had betrekking op een vordering van een ex-werknemer van Philips, die in 2001 door Philips was ontslagen. Op grond van artikel 7:683 BW is de verjaringstermijn voor het instellen van een vordering wegens “kennelijk onredelijk ontslag” 6 maanden. De werknemer had gedurende een periode van 9 jaar ieder half jaar een stuitingsbrief aan zijn oude werkgever verzonden en daarmee de verjaring van zijn vordering conform de door de wet gestelde eisen gestuit.</p><p>&nbsp;</p> <p>De rechter overwoog in deze zaak echter dat “de wetgever zich echter kennelijk heeft voorgesteld, dat een vordering als deze slechts kan worden ingesteld als nog niet veel tijd verstreken is nadat aan de arbeidsovereenkomst een eind gekomen is. Het zou dan naar regels van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als die mogelijkheid meer dan negen jaar zou kunnen worden opengehouden door de verjaringstermijn alsmaar te stuiten.” Dit gold volgens de rechtbank zeker als een eiser, zoals in dit geval, nauwelijks omstandigheden heeft gesteld die zo’n lang uitstel zouden kunnen excuseren.</p><p>&nbsp;</p> <p>Uit deze uitspraak is af te leiden dat een schuldeiser een herhaaldelijke stuiting van de verjaring van een vordering niet alleen conform de door de wet daaraan gestelde eisen dient te voldoen, maar dat stuiting daarnaast dient te zijn gebaseerd op redelijke gronden.</p> 2013-05-22 17:40:21 Loonsverlaging in tijden van crisis? http://www.vantill.nl/blog/loonsverlaging-in-tijden-van-crisis <p><span style="color: #000000; font-family: Times New Roman; font-size: 10pt;"> </span></p><p>Een veelgehoorde wens van werkgevers in de huidige tijden van crisis is dat zij, om kosten te besparen, het loon van werknemers willen verlagen. Een loonsverlaging levert veelal een forse kostenbesparing op, die voor sommige werkgevers zelfs een faillissement kan voorkomen. Werknemers zullen hier over het algemeen echter niet blij mee zijn. Kunnen werknemers gedwongen worden akkoord te gaan met een loonsverlaging?</p><p><!--more--></p><p>&nbsp;</p><p>Deze vraag kwam aan de orde in een zaak die speelde bij de kantonrechter in Zutphen. De werkgever had uit het oogpunt van kostenbesparing eind 2011 en begin 2012 al een reorganisatie doorgevoerd. Desalniettemin bleef de financiële situatie slecht. Om die reden heeft er in oktober 2012 een bijeenkomst plaatsgevonden, waarin de werkgever het personeel heeft verzocht een loonoffer te doen van 10% van het brutoloon. Er werd de werknemers voorgehouden dat de onderneming anders failliet zou gaan. Uiteindelijk is 69% van de werknemers akkoord gegaan met het voorstel tot loonsverlaging. Werknemer X echter niet. Desondanks heeft de werkgever alle werknemers laten weten dat het loon verlaagd werd, nu de meerderheid hiermee akkoord was gegaan. In reactie hierop is werknemer X een procedure gestart waarin hij uitbetaling vorderde van de door de werkgever niet langer uitbetaalde 10% van zijn brutoloon. De werkgever stelde dat hij gerechtigd was het loon te verminderen. De rechter oordeelde echter anders. Weliswaar had de werkgever, aldus de rechter, aannemelijk gemaakt dat de slechte financiële omstandigheden hem ertoe had gebracht het voorstel tot loonsverlaging te doen, maar dat wilde nog niet zeggen dat de werkgever daartoe zonder instemming van een werknemer kon beslissen. Daarvoor geldt een dubbele redelijkheidstoets, namelijk (i) het voorstel moet redelijk zijn en (ii) het moet in redelijkheid van de werknemer kunnen worden verlangd dat hij het voorstel accepteert. De rechter oordeelde dat loon een zodanig essentieel onderdeel van de arbeidsovereenkomst vormt, dat in dit geval niet aan de dubbele redelijkheidstoets werd voldaan. Het loon mocht dus niet zonder instemming van de werknemer worden verlaagd. De werkgever moest alsnog het gehele loon van werknemer X uitbetalen.</p><p>&nbsp;</p><p>Deze uitspraak betekent echter niet dat er in de praktijk helemaal geen mogelijkheden zijn om over te gaan tot loonsverlaging of andere maatregelen in geval van een slechte financiële situatie. Mocht dit spelen, adviseren wij u graag.</p><p>&nbsp;</p><p><span style="color: #000000; font-family: Times New Roman; font-size: 10pt;"> </span></p> 2013-05-21 18:26:42 Mag een huurder de betaling van de huur 'zomaar' opschorten? http://www.vantill.nl/blog/mag-een-huurder-de-betaling-van-huur-zomaar-opschorten <p>De meeste verhuurders hebben het weleens meegemaakt: een huurder die de betaling van de huurprijs (gedeeltelijk) opschort. De huurder zal hier meestal toe overgaan wegens gebreken aan het gehuurde die naar de mening van de huurder niet of niet voldoende door de verhuurder worden verholpen. Uiteraard kunnen hier ook andere redenen aan ten grondslag liggen. Mag een huurder de betaling van de huurprijs eigenlijk  ‘zomaar’ opschorten?</p><p><!--more--></p><p>&nbsp;</p> <p>Het antwoord op deze vraag is nee. De huurder mag niet ‘zomaar’ de betaling van de huurprijs (gedeeltelijk) opschorten. Opschorting is een pressiemiddel: het wettelijke equivalent van het principe “eerlijk oversteken”. Ik voldoe pas aan mijn verplichting onder de overeenkomst (betalen) wanneer jij aan de jouwe (verschaffen van huurgenot) hebt voldaan.</p><p>&nbsp;</p> <p>De huurder mag dit pressiemiddel pas gebruiken indien het opschorten van de betaling in voldoende nauw verband staat met de verbintenis die de verhuurder niet nakomt. Wanneer de verhuurder een verbintenis niet nakomt die niets te maken heeft met de huurovereenkomst (de verhuurder heeft bijvoorbeeld met de huurder afgesproken om te ondersteunen bij de aankoop van een caravan) is opschorting dus niet geoorloofd.</p><p>&nbsp;</p> <p>Daarnaast moet de tekortkoming van de verhuurder de opschorting rechtvaardigen. Dit betekent dat, indien de huurder de betaling opschort wegens gebreken aan het gehuurde, de gebreken voldoende ernstig moeten zijn en dat de huurder daardoor ernstig in zijn huurgenot wordt geschaad. Wanneer het slechts gaat om een kapotte deurklink zal een opschorting in de regel dus niet gerechtvaardigd zijn.</p><p>&nbsp;</p> <p>En last but not least is het gebruikelijk bij huurovereenkomsten dat de huurder de verhuurder op de hoogte stelt van de opschorting en de reden waarom hij daartoe overgaat. De verhuurder moet immers wel de mogelijkheid krijgen om zijn tekortkoming op te heffen.</p><p>&nbsp;</p> <p>Uit een <a href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BN0797" target="_blank">uitspraak</a> van de het Hof Leeuwarden uit 2010 blijkt dat opschorting van betaling van de volledige huurprijs zelden tot nooit gerechtvaardigd is. In de praktijk komt het dan ook meer voor dat er door de huurder meestal een gedeelte van de huurprijs niet wordt betaald.</p><p>&nbsp;</p> <p><span style="text-decoration: underline;">Risico’s</span></p><p><span style="text-decoration: underline;"><br /></span></p> <p>Het (gedeeltelijk) opschorten van de huur is voor de huurder niet geheel zonder risico’s. Wanneer de huurder namelijk niet het recht tot het opschorten van de huurbetaling had, pleegt hij wanprestatie. Op deze grond kan de verhuurder bij de rechter ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde vorderen. Een huurachterstand van drie maanden kan hiervoor al voldoende zijn. De huurder dient dan ook niet te gemakkelijk tot opschorting over te gaan ander schiet hij zijn doel voorbij en loopt hij het risico het gehuurde te verliezen.</p> 2013-05-17 09:44:42 Werkgever moet oproepkracht bij elke oproep drie uur betalen http://www.vantill.nl/blog/werkgever-moet-oproepkracht-bij-elke-oproep-drie-uur-betalen <p>De wet bepaalt in artikel <a href="http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-7/artikel628a" target="_blank">7:628a BW</a> dat, indien er een arbeidsomvang van minder dan 15 uur per week is overeengekomen en de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet zijn vastgelegd, dan wel indien de omvang van de arbeid niet eenduidig is vastgelegd, de werknemer voor iedere periode van minder dan drie uur waarin hij arbeid heeft verricht, recht heeft op uitbetaling van drie uur loon. Als de werknemer (oproepkracht) aan deze voorwaarden voldoet, garandeert artikel 7:628a BW dus dat de werknemer recht heeft op uitbetaling van drie uur loon, ook al heeft hij minder dan drie uur gewerkt.</p><p><!--more--></p> <p>&nbsp;</p> <p>In de <a href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BZ2907" target="_blank">zaak</a> die onlangs aan de Hoge Raad is voorgelegd ging het om een vrouw die als chauffeur in dienst is geweest bij een taxibedrijf. In haar arbeidsovereenkomst was aanvankelijk bepaald dat zij op basis van een nul-urencontract als ‘afroepkracht’  werkzaam zou zijn. Op het laatst was zij werkzaam voor twaalf uur per week, maar waren haar werktijden niet vastgelegd.</p> <p>&nbsp;</p> <p>Nadat het dienstverband is geëindigd, stelt de werkneemster zich op het standpunt dat zij voor iedere rit tenminste drie uur betaald had moeten krijgen, ongeacht de duur van de rit en de tijd tussen de verschillende ritten. In de procedure vordert zij achterstallig loon op basis van artikel 7:628a BW.</p> <p>&nbsp;</p> <p>Het Hof achtte de gevolgen van het standpunt van de taxichauffeur te verstrekkend. Bijvoorbeeld op een dag waarop zij zes keer is opgeroepen voor een rit, zou het taxibedrijf achttien uur moeten uitbetalen, terwijl zij feitelijk veel minder uren had gereden. Dit zou dus betekenen dat zij voor bepaalde tijdvakken ‘dubbel’ betaald zou krijgen.</p> <p>&nbsp;</p> <p>De Hoge Raad oordeelde echter anders: artikel 7:628a BW is bedoeld om de werknemer die meerdere malen per dag wordt opgeroepen te beschermen. Het gevolg daarvan kan zijn dat een werknemer over bepaalde perioden van de dag dubbel wordt betaald. Dit zal voornamelijk het geval zijn als er meerdere oproepen zijn voor een (relatief) korte periode, zoals bij taxichauffeurs. Dan gaat per oproep de teller van ten minste drie uur loonbetaling lopen. Immers het opnieuw verrichten van werkzaamheden na een werkonderbreking (geen gewone pauze), is een nieuwe periode van arbeid en geeft een gegarandeerde beloning van opnieuw minimaal drie uur loon.</p> <p>&nbsp;</p> <p>Kortom, let op; de werkgever moet een oproepkracht bij meerdere oproepen per dag drie uur uitbetalen voor iedere oproep.</p> <p>&nbsp;</p> <p>Welke mogelijkheden zijn er voor de werkgever om deze situatie te voorkomen?</p> <p>&nbsp;</p> <p>Ten eerste kan de werkgever proberen het werk zodanig in te richten dat de werknemer niet meerdere malen per dag wordt opgeroepen voor korte periodes, maar dat de werknemer wordt oproepen voor een langere, aaneengesloten, periode. Dan hoeft slechts eenmaal loon over de ‘wachtperiode’  betaald te worden en is er geen overlap van perioden waarover steeds drie uur betaald moet worden.</p> <p>&nbsp;</p> <p>Ten tweede kan de werkgever een arbeidsomvang van meer dan vijftien uur per week afspreken, of vooraf de tijdstippen vastleggen waarop de arbeid moet worden vericht. In dat geval kan de werknemer geen beroep meer doen op de beschermende bepaling van artikel 7:628a BW.</p> 2013-05-15 18:02:44 De aansprakelijke bestuurder “achter” de bestuurder http://www.vantill.nl/blog/de-aansprakelijke-bestuurder-achter <p>Het komt regelmatig voor dat de bestuurder van een rechtspersoon zelf ook weer een rechtspersoon is. Vooral bij grote bedrijven met een holdingstructuur is dit gebruikelijk. Wie is dan in geval van bestuurdersaansprakelijkheid uiteindelijk aansprakelijk?</p> <p>&nbsp;</p> <p>Artikel 2:11 BW regelt dat in die gevallen naast de rechtspersoon-bestuurder eveneens haar bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is. Mocht dit eveneens een rechtspersoon zijn, dan blijft men net zoveel stappen nemen als nodig blijkt om uiteindelijk bij een natuurlijk persoon uit te komen.</p> <p><!--more--></p> <p>&nbsp;</p><p>Dit artikel is in het leven geroepen om te voorkomen dat een bestuurder de op hem rustende aansprakelijkheid kan ontlopen, doordat hij het bestuurderschap door een rechtspersoon laat vervullen. Het doel is om uiteindelijk een natuurlijk persoon aan te wijzen die de bestuursverantwoordelijkheid draagt. Dit om misbruik van rechtspersoonlijkheid te voorkomen.</p> <p>&nbsp;</p> <p>Bestuurdersaansprakelijkheid is onder te verdelen in interne bestuurdersaansprakelijkheid en externe bestuurdersaansprakelijkheid</p> <p>&nbsp;</p> <p>Interne bestuurdersaansprakelijkheid houdt in dat de bestuurder onder omstandigheden aansprakelijk kan zijn tegenover de vennootschap voor de door de vennootschap geleden schade. Deze aansprakelijkheid richt zich tot de directe bestuurder. Wanneer deze bestuurder een andere rechtspersoon is die geen verhaal biedt, dan zou zonder de voornoemde regeling in artikel 2:11 BW aan de aansprakelijkheid kunnen worden ontkomen.</p> <p>&nbsp;</p> <p>Bij externe bestuurdersaansprakelijkheid is de bestuurder op basis van een onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade geleden door de schuldeiser. Het gaat dan om situaties waarin de vennootschap tekort schiet in een op haar rustende verplichting tegenover de schuldeiser en de bestuurder hier een persoonlijk, voldoende ernstig, verwijt van kan worden gemaakt. In deze gevallen dient de schuldeiser aan te tonen dat de bestuurder (natuurlijk persoon) een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het kan immers slechts een natuurlijk persoon zijn die een uiteindelijk verwijtbare handeling verricht. Misbruik van rechtspersoonlijkheid kan bij externe aansprakelijkheid dan ook niet het geval zijn.</p> <p>&nbsp;</p> <p>Artikel 2:11  ziet derhalve slechts op de interne aansprakelijkheid zoals bedoeld in boek 2 BW en niet op de externe aansprakelijkheid uit boek 6 BW.</p> 2013-05-14 14:50:54 Liever een jongere werknemer? http://www.vantill.nl/blog/liever-een-jongere-werknemer <p><span style="color: #000000; font-family: Times New Roman; font-size: 10pt;"> </span></p><p>Werkgevers geven er vaak de voorkeur aan een jonge(re) werknemer in dienst te nemen, omdat jonge werknemers goedkoper zijn. Maar mag een werkgever een sollicitant enkel om zijn leeftijd afwijzen? Daarover heeft het College voor de Rechten van de Mens (voorheen: de Commissie Gelijke Behandeling) onlangs <a href="http://www.mensenrechten.nl/publicaties/oordelen/2013-39/detail" target="_blank">geoordeeld</a>.</p><p><!--more--></p><p>&nbsp;</p><p>In deze kwestie ging het om een sollicitante van 25 jaar die had gesolliciteerd op de functie van verkoper bij een grote winkelketen. Enkele dagen na het sollicitatiegesprek heeft de werkgever een voicemailbericht bij de sollicitante achtergelaten waarin haar te kennen werd gegeven dat zij te oud was en dus te duur. Naar aanleiding hiervan heeft deze sollicitante zich tot het College gewend. Volgens de sollicitante was sprake van verboden onderscheid naar leeftijd. De werkgever verweerde zich met de stelling dat de woordkeuze wat ongelukkig was, maar dat gezocht werd naar iemand met meer ervaring. Dit verweer werd door het College gepasseerd. Het College oordeelde dat deze werkgever direct onderscheid naar leeftijd heeft gemaakt door de sollicitante op basis van haar leeftijd af te wijzen. De vervolgvraag is of hiervoor een objectieve rechtvaardiging aanwezig was. Het College meende van niet. Het maken van leeftijdsonderscheid werd namelijk niet noodzakelijk geacht om het doel, het beheersen van de loonkosten, te bereiken. Dit betekent dat de werkgever verboden onderscheid naar leeftijd heeft gemaakt bij de sollicitatieprocedure.</p><p>&nbsp;</p><p>Kortom: wanneer onomstotelijk vaststaat dat een sollicitant wordt afgewezen op grond van zijn leeftijd, is de kans groot dat daarmee verboden onderscheid naar leeftijd wordt gemaakt.</p><p>&nbsp;</p><p><span style="color: #000000; font-family: Times New Roman; font-size: 10pt;"> </span></p> 2013-05-08 08:58:23 In hoeverre komt de werknemer (in de bouw) een beroep toe op een contractuele ontslagvergoeding in tijden van economische crisis? http://www.vantill.nl/blog/in-hoeverre-komt-de-werknemer-bouw-een-beroep-toe-op-contractuele-ontslagvergoeding-tijden-van-economische-crisis <p>Het uitkeren van riante afvloeiingsregelingen (voor bestuurders) zijn herhaaldelijk onderwerp van maatschappelijke discussies. De rechtbank Arnhem heeft een vraag <a href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BY8265" target="_blank">voorgelegd</a> gekregen over het uitkeren van een op voorhand geregelde ontslagvergoeding. Het ging hier om het volgende.</p><p>&nbsp;</p> <p>De werknemer is al sinds begin 1983 in dienst van een bouwonderneming. Als hij in juni 2007 als (statutair) technisch directeur is benoemd, wordt een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan waarbij op voorhand een (hoge) ontslagvergoeding is overeengekomen. Deze ontslagvergoeding is gebaseerd op de oude kantonrechtersformule.</p><p><!--more--></p><p>&nbsp;</p> <p>De technisch directeur is in juni 2012 op grond van bedrijfseconomische redenen ontslagen. De werkgever wil de overeengekomen ontslagvergoeding niet uitbetalen, omdat het financieel slecht gaat met het bouwbedrijf. Vervolgens vordert de technisch directeur in kort geding een voorschot op zijn overeengekomen ontslagvergoeding van meer dan € 350.000,-.</p><p>&nbsp;</p> <p>De werkgever stelt dat het gezien zijn financiële omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om zo een hoge vergoeding uit te keren. De werkgever doet daartoe een beroep op de bepaling uit de wet over de ‘onvoorziene omstandigheden’ (artikel 6:258 BW).</p><p>&nbsp;</p> <p>Voor de vraag of er sprake is van onvoorziene omstandigheden is het niet beslissend of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren. Het gaat erom van welke veronderstelling partijen zijn uitgegaan. De onvoorziene omstandigheden dienen van dien aard te zijn dat de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de toezegging (de overeengekomen ontslagvergoeding) niet mag verwachten.</p><p>&nbsp;</p> <p>De kort geding rechter heeft geoordeeld dat de hevige crisis in de bouw en de slechte financiële situatie van de werkgever aanleiding kunnen zijn tot het wijzigen van de ontslagvergoeding op grond van onvoorziene omstandigheden, als blijkt dat de werknemer ongewijzigde instandhouding van ontslagvergoeding (in dat geval) niet mag verwachten.</p> <p>De werknemer komt in dit geval echter niet helemaal met lege handen te staan. De kort geding rechter vindt het wel aannemelijk dat de werkgever op basis van het Sociaal Plan een bedrag van € 40.000,- zal moeten betalen aan de werknemer en wijst dat bedrag toe. Overigens betreft dit een uitspraak van de kort geding rechter en is het dus een voorlopig oordeel.</p> 2013-05-03 16:51:24 Huurbeding in pandakte: mag dat? http://www.vantill.nl/blog/huurbeding-in-pandakte-mag-dat <p>De bank heeft bij het verstrekken van een hypothecaire lening de wettelijke bevoegdheid een huurbeding op te nemen in de hypotheekakte. Hierdoor kan de koper van een woning de gekochte woning niet zonder toestemming van de bank verhuren. Dit huurbeding kan – mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan – bij executie van de woning door de bank worden ingeroepen tegen de potentiële huurder. In het verlengde van het voorgaande kan de vraag gesteld worden of een dergelijk beding, dat is opgenomen in een pandakte, kan worden ingeroepen tegen een potentiële huurder.</p><p>&nbsp;</p> <p>De voornoemde vraag is relevant voor de financiering van een lidmaatschap in een flatcoöperatie. Een flatcoöperatie is een oude en niet meer veel voorkomende rechtsfiguur, waarbij het gebouw (de gehele flat) eigendom is van de coöperatie. Aan de leden van de coöperatie komt het recht tot de bewoning van een privégedeelte en tot het gebruik van gemeenschappelijke ruimten toe.</p><p>&nbsp;</p> <p>Bij de financiering van de koop van een lidmaatschap wordt vaak een ingewikkelde financieringsconstructie toegepast. Een onderdeel van deze constructie – welke ik voor het overige niet zal bespreken – is het verpanden van dit lidmaatschapsrecht aan de bank. In de pandakte wordt dan een huurbeding opgenomen.</p><p>&nbsp;</p> <p>In tegenstelling tot het huurbeding in de hypotheekakte, bevat de wet geen bevoegdheid om een huurbeding in de pandakte op te nemen. Uit een recente <a href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BZ0158" target="_blank">uitspraak</a> van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat een huurbeding in de pandakte niet ingeroepen kan worden tegen de potentiële huurders. De gedachte hierbij is dat de potentiële huurder voor de kenbaarheid met het huurbeding afhankelijk is van de informatieverstrekking door de verhuurder.</p><p>&nbsp;</p> <p>Bij een huurbeding in de hypotheekakte geldt dat de potentiële huurder – onafhankelijk van de verhuurder – kan achterhalen in hoeverre het verhuren van de woning is toegestaan. De combinatie van de verplichting het huurbeding in de hypotheekakte op te nemen met het voorschrift dat het hypotheekrecht wordt gevestigd door inschrijving van de akte in de openbare registers, waarborgt dat de huurder zelf kan nagaan in hoeverre de woning mag worden verhuurd. Aangezien de potentiële huurder deze wettelijke waarborg niet heeft bij een huurbeding in een pandakte, is de potentiële huurder voor de bekendheid met dit beding dus afhankelijk van de verhuurder.</p><p>&nbsp;</p> <p>Kort en goed: het is voor banken niet mogelijk om een huurbeding uit een pandakte in te roepen tegen potentiële huurders.</p> <p>&nbsp;</p> <p>&nbsp;</p> 2013-05-02 15:43:02 Belangen VvE prevaleren boven belangen hypotheekhouder? http://www.vantill.nl/blog/belangen-vve-prevaleren-boven-hypotheekhouder <p>Het gebeurt steeds vaker dat appartementseigenaren de maandelijkse VvE-bijdragen niet langer kunnen betalen. De VvE kan de niet betalende eigenaar in rechte betrekken en vervolgens trachten het veroordelend vonnis ten uitvoer te leggen, bijvoorbeeld door het leggen van loonbeslag. Ook kan executoriaal beslag worden gelegd op het appartementsrecht zelf. Meestal zal het appartementsrecht verhypothekeerd zijn. De hypotheekhouder (meestal de bank) heeft een bevoorrechte positie. Bij een executieverkoop wordt hij als eerste voldaan uit de executieopbrengst. Slechts een eventueel restant zal kunnen worden gebruikt om de vordering van de VvE te voldoen. De bank heeft in beginsel dus een bevoorrechte positie ten opzichte van de VvE. Onlangs heeft het Hof Amsterdam echter een opmerkelijk <a href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BZ7383" target="_blank">arrest</a> gewezen, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de belangen van de VvE onder omstandigheden kunnen prevaleren boven die van de hypotheekhouder.<!--more--></p><p>&nbsp;</p><p>In deze zaak gaat het om een appartementseigenaar die weigert zijn maandelijkse VvE-bijdragen te betalen. De VvE start een incassoprocedure en de eigenaar wordt veroordeeld tot betaling, een bedrag dat op dat moment in hoofdsom EUR 1.422,25 bedraagt. De eigenaarvoldoet niet aan het vonnis en de VvE legt executoriaal beslag op het verhypothekeerde appartementsrecht van de eigenaar. In dergelijke gevallenwordt de hypotheekhouder de mogelijkheid geboden om de executie over te nemen op grond van artikel 509 Rv. Van deze mogelijkheid maakt de hypotheekhouder geen gebruik. In de daarop volgende maanden ziet de VvE de betalingsachterstand steeds verder oplopen.</p><p>&nbsp;</p><p>Vervolgens neemt de VvE de executie van het vonnis verder ter hand en zegt de executoriale verkoop aan. Ineen kortgeding dat naar aanleiding daarvan door de hypotheekhouder wordt<br />gestart, oordeelt de voorzieningenrechter dat het belang van de hypotheekhouder om de veiling te voorkomen zwaarder weegt dan het belang van de VvE om de veiling door te laten gaan. De VvE wordt veroordeeld om de veiling (in het kader van de executoriale verkoop) te staken en in te trekken. De VvE stelt hoger beroep tegen dit vonnis in.</p><p>&nbsp;</p><p>Het Hof overweegt dat een bevel tot staking van de executie van een vonnis alleen kan worden gegeven als de executie vexatoir is of als de executant (in dit geval de VvE) misbruik maakt van zijn recht tot executie. Van een vexatoire executie kan sprake zijn als de VvE redelijkerwijs had kunnen weten dat de executie nauwelijks of geen zin heeft, bijvoorbeeld als de executie alleen maar wordt gestart om de wederpartij te frustreren. Dit was niet het geval. Vervolgens toetst het Hof de criteria die gelden voor misbruik van recht. Deze criteria zijn vrij strikt. Zo dient het te gaan om gevallen waarin (1) de executant zijn bevoegdheid uitoefent met geen ander doel dan de ander te schaden, (b) met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend en/of (3) de executant, in aanmerking nemend de onevenredigheid bij het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot uitoefening van zijn bevoegdheid had kunnen komen.</p><p><br />Het Hof stelt vast dat de bevoorrechte positie van de hypotheekhouder met zich meebrengt dat hij bij voorrang betaalt krijgt uit de executie opbrengst en dat de opbrengst niet toereikend zal zijn om de vordering van de VvE geheel te voldoen. Het is dan ook aannemelijk dat de VvE op basis daarvan niets zal ontvangen. Dit brengt echter nog niet met zich mee dat de VvE geen enkel belang heeft bij de voortzetting van de executie. Van belang daarbij is artikel 5:122 lid 3 BW, waarin is bepaald dat de nieuwe eigenaar de achterstallige VvE-bijdragen aan de VvE dient te betalen over het lopende en voorafgaande boekjaar. Hoe langer de VvE wacht met de executie, hoe beperkter de mogelijkheid zal zijn om de nieuwe eigenaar op grond van dit artikel op de betalingsachterstand aan te spreken. Naar mijn mening is dit de doorslaggevende factor voor de VvE. Het Hof overweegt daarnaast nog dat de VvE ook belang heeft bij het worden bevrijd van een eigenaar die hardnekkig weigert zijn maandelijkse bijdragen te voldoen. Het Hof overweegt uitdrukkelijk dat de VvE onder deze omstandigheden geen misbruik maakt van haar bevoegdheid tot executie.</p><p>Uit deze uitspraak zou kunnen worden afgeleid dat de bevoorrechte positie van de hypotheekhouder hierdoor wordt aangetast. Een dergelijk verweer wordt in dit geval ook door de<br />hypotheekhouder gevoerd. Het Hof overweegt echter dat de hypotheekhouder in de gelegenheid is geweest om de veiling op haar voorwaarden te laten plaatsvinden door de executie over te nemen. Dat heeft zij niet gedaan. Weliswaar heeft de hypotheekhouder een bevoorrechte positie ten opzichte van andere schuldeisers. Echter, dat neemt volgens het Hof niet weg dat in sommige gevallen, zoals in dit geval door de werking van artikel 5:122 BW, anderen toch beschikken over een recht dat in zijn praktische uitwerking leidt tot een “beter recht” dan dat van de hypotheekhouder.</p><p><br /><br /></p> 2013-05-02 14:37:10 Selectieve betaling is geoorloofd, maar waar ligt de grens? http://www.vantill.nl/blog/selectieve-betaling-is-geoorloofd-maar-waar-ligt-de-grens <p>Eerder al blogte ik over de fijne scheidslijn tussen betalingsonmacht en betalingsonwil. In tijden van zwaar weer komen bestuurders van vennootschappen bijna dagelijks voor de vraag te staan welke crediteur eerst moet worden betaald uit de veelal beperkte financiële middelen. Indien echter de betalingsonmacht feitelijk betalingsonwil betreft, kan de bestuurder in persoon aansprakelijk worden gehouden. Wanneer slaat de betalingsonmacht om in betalingsonwil?</p><p><!--more--></p> <p>&nbsp;</p><p>In beginsel staat het de bestuurder vrij een keuze te maken welke schuldeisers van de vennootschap zullen worden voldaan. Het gevolg van de selectieve betaling kan zijn dat bepaalde crediteuren onbetaald (en onverhaald) blijven. De vennootschap pleegt wanprestatie jegens de crediteur. Selectieve betaling is op zichzelf niet voldoende om te leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder, er moet sprake zijn van een persoonlijk verwijt. Dit kan, zo blijkt uit vaste rechtspraak, het geval zijn indien het niet nakomen van de betalingsverplichting voortkomt uit betalingsonwil. Een duidelijk voorbeeld van betalingsonwil is het ten behoeve van zichzelf door de bestuurder ‘leeghalen van de kas’, maar kan dit ook genuanceerder liggen?</p><p>&nbsp;</p> <p>De rechtbank Leeuwarden heeft i<span style="font-size: 9pt;">n een recente</span><span style="font-size: 9pt;"> </span><a style="font-size: 9pt;" href="http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BZ8656">uitspraak</a><span style="font-size: 9pt;"> het begrip ‘betalingsonwil’ </span><span style="font-size: 9pt;">ingevuld door te oordelen dat geen sprake was van betalingsonwil, daar er in die zaak geen sprake was van een situatie waarin de bestuurders om principiële redenen consequent verhinderd hebben dat de vennootschap tot betaling van een bepaalde crediteur overging. Volgens de rechtbank is in die zaak niet komen vast te staan dat de bestuurders wilden voorkomen dat de crediteur nog enige betaling zou ontvangen.</span></p><p>&nbsp;</p><p>Dit geeft de bestuurder wel enige houvast en bovendien blijkt dat betalingsonwil niet zonder meer zal worden aangenomen. Bestuurders dienen echter rekening te houden met het feit dat het altijd van alle omstandigheden van het geval af zal hangen of een bestuurder persoonlijk aansprakelijk wordt gehouden voor de wanprestatie van de vennootschap en dat de rechtspraak op dit gebied constant in beweging is.</p> 2013-04-29 18:24:20